Sint‑Jacobs en Sint‑Niklaas in Gent: restaureren met scalpel in plaats van moker
Sint‑Jacobskerk
Bij Sint‑Jacobs ligt de focus in deze fase op de daken en gevels van koor en sacristie, waar waterinsijpeling de draagconstructies en het interieur bedreigt. Het gaat om een bak‑ en natuurstenen gebouw met een 19de‑eeuwse neoromaanse en neogotische schil: fijn geprofileerde lijsten, traceringen en pinakels maken het werk arbeidsintensief, maar zijn tegelijk bepalend voor het huidige beschermde beeld.
Aan de dakzijde betekent dit: systematisch nazicht van spanten en gordingen, vervanging van aangetaste balkkoppen in eik of een compatibele loofhoutsoort, en het herleggen van de leien in traditionele dekking, met loden slabben en koper of zink voor goten en afvoeren. Het streven is om zoveel mogelijk historisch houtwerk te behouden en alleen lokaal te “scarf‑en” waar doorsnede en draagkracht onvoldoende zijn. Scarf-en betekent het herstellen van een balk door twee stukken hout schuin in elkaar te laten grijpen met een scarf joint of lasverbinding. Gegalvaniseerde verbindingen worden vermeden ten gunste van roestvast staal of traditionele houten verbindingen, dit om toekomstige corrosie te beperken.
Verwering van zand‑ en kalksteen
Aan de gevels gaat de aandacht naar verwering van zand‑ en kalksteen: vorstschade, afschilfering en uitgespoelde voegen. De voegmortels worden vervangen door een op maat samengestelde kalkmortel (luchtkalk met geschikte granulaten) met een vergelijkbare dampopenheid en druksterkte als de originele mortel, om spanningen tussen steen en voeg te vermijden. Bij natuursteenherstel wordt vooral gebruikgemaakt van steenvervangingen in natuursteen met overeenkomstige petrografie en kleur, aangevuld met pinnen en ankers in roestvast staal en waar mogelijk micro‑injecties of consolidanten om nog net niet verloren details te stabiliseren.
Erfgoed tussen neostijl en patina
De 19de‑eeuwse restauratie onder Auguste Van Assche leverde een neoromaanse westgevel en neogotische detaillering op, waarbij barokke toevoegingen verdwenen en “correcte” stylings hun plaats innamen. Vandaag wordt die laag niet langer gezien als verstoring, maar als deel van de erfgoedwaarde: de restauratie beperkt zich tot consolideren en herstellen, zonder nieuwe stilistische “zuivering”. Dat vertaalt zich in materiaalkeuzes: geen agressieve reinigingen, maar zachte reinigingsmethodes (stoom, verneveling) en een zeer beperkte inzet van micro‑zandstralen, enkel om zware korstvorming te breken. Nieuwe stenen worden bewust nét niet perfect gemaakt; een gecontroleerd kleur‑ en textuurverschil laat toekomstige generaties het onderscheid tussen origineel en aanvulling aflezen, conform het Charter van Venetië.
Sint‑Niklaaskerk
De Sint‑Niklaaskerk kent een restauratiegeschiedenis die teruggaat tot de jaren 1930, toen aannemer Bruxelman in opdracht van de kersverse vzw Vrienden van de Sint‑Niklaaskerk de eerste grote consolidaties uitvoerde. Voorafgaand werd een archeologisch onderzoek door prof. Firmin De Smidt en een stabiliteitsstudie door prof. ir. Felix Riessauw uitgevoerd, die de basis legden voor de latere structurele ingrepen. Tussen 1963 en 1986 werden onder leiding van architect Adrien Bressers vieringtoren, transept en koor gestabiliseerd en gerestaureerd; het schip volgde vanaf 1988, in deelcampagnes om budgettaire redenen. Daarbij kwamen klassieke technieken aan bod: verstevigingsinjecties in metselwerk, vervanging van rotte balkkoppen, inbrengen van betonbalken en ‑randen als ringwerking, en heropbouw van verweerde natuursteenelementen. Het resultaat is een gebouw waarin verschillende generaties materialen samenkomen: historische kalkmortels, cementrijke voegen uit het midden van de 20ste eeuw, en recentere kalk‑cementmengsels en natuursteenvervangingen.
De huidige fase richt zich op de afronding van de restauratie van het schip, de zuidelijke zijbeuk, het westportaal en op het interieur: meubilair en het Cavaillé‑Coll‑orgel. De uitdaging ligt in de compatibiliteit: harde cementvoegen worden stapsgewijs vervangen waar ze schade veroorzaken, terwijl zones waar ze inmiddels “stabiel” zijn soms behouden blijven en enkel gerepareerd worden, om geen onnodige breuklijnen in het metselwerk te introduceren.
Interieur: van harde naar zachte restauratie
In de 20ste‑eeuwse fasen werd in Sint‑Niklaas “hard” gerestaureerd: pleisterlagen verdwenen om de natuursteen te tonen en bouwsporen werden maximaal zichtbaar gehouden. Intussen is duidelijk dat de kerk historisch net rijk beschilderd was, met patronen en kleuren in oker, wit, rood, blauw en zwart; de kale steen is dus eerder een restauratieproduct dan een authentieke toestand.
Sinds de jaren 1990 kiest men echter voor een “zachte” aanpak: waar mogelijk worden historische afwerkingslagen behouden of gereconstrueerd en worden kleurenonderzoek en stratigrafie leidend voor de keuze van afwerkingssystemen. Nieuwe verfsystemen en pleisters worden opgebouwd met dampopen producten en minerale of silicaatgebonden verven die compatibel zijn met de ondergrond en reversibel waar het kan. Voor het meubilair gaat het om klassiek restauratiewerk: afwerking consolideren, ontbrekende stukken aanvullend sculpteren, en vernis‑ of waslagen herstellen met respect voor patina.
Het orgel
Het Cavaillé‑Coll‑orgel vormt een eigen restauratiecluster op zich: naast houtrestauratie en metaalwerk (pijpen, mechanieken) spelen akoestische en klimatologische randvoorwaarden. De orgelrestauratie vereist fijnmazige klimaatzorg in de kerk (temperatuur‑ en vochtstabiliteit) en een nauw overleg tussen orgelbouwer, restauratie‑architect en erfgoedinstanties.
Openbare procedures
De gunning gebeurt via de gebruikelijke openbare procedures, waarbij gespecialiseerde restauratie‑aannemers met referenties in kerkrestauratie in aanmerking komen. De rolverdeling is klassiek: de restauratie‑architect stuurt de materiaalkeuze en detailengineering aan, de aannemer beheert uitvoering en planning, terwijl gespecialiseerde onderaannemers instaan voor natuursteen, glas‑in‑lood, metaalconservering en orgelbouw.
Een belangrijke verschuiving in beide kerken is de focus op preventieve erfgoedzorg: het vermijden van grote ingrepen door systematisch onderhoud. Concreet betekent dit periodieke inspecties van daken en goten, tijdige herstelling van voeg‑ en pleisterschade, eenvoudige klimaatmaatregelen (ventilatie, zonwering, beperkte verwarmingsregimes) en een onderhoudsplan voor meubilair en orgel.