Totaalrestauratie van het oudste schepenhuis der Nederlanden
Het schepenhuis van Aalst is vermoedelijk het oudst bewaarde schepenhuis van de Nederlanden, met een kern uit het eerste kwart van de 13de eeuw. Basisplan en hoofdvolume van die vroege fase zijn grosso modo intact gebleven; oost- en noordgevel zijn in Lediaanse steen opgetrokken in een laatromaans-vroeggotische ordonnantie, het idioom van de Scheldegotiek. Na de stadsbrand van 1360 bleven enkel die twee gevels overeind. De west- en zuidgevel werden in 1407 herbouwd door respectievelijk Jan De Hase en Jan Van Goeteghem. In hetzelfde jaar startte Van Goeteghem aan de vierkante belforttoren met afgesnuite westhoek, voltooid door Jan d'Otter in 1460. Het laatgotische gebiedshuisje of Bretesk dateert in zijn huidige vorm uit 1543–1544.
Lediaanse steen
Voor de restaurateur is vooral de materiaaltechnische gelaagdheid relevant. Lediaanse steen domineert in oost- en noordgevel, in de deels ingebouwde belforttoren en in het gebiedshuisje. De kruiskozijnen en tweelichten van west- en zuidgevel hebben zandstenen negblokken, met geprofileerde zandstenen omlijstingen rond de deuren. Boven het schepenhuis ligt een leien zadeldak met houten klokkenruiter; de belforttoren wordt bekroond door een achtzijdige campanile onder naaldspits, de ronde traptorens dragen kegelspitsen. Binnen verdienen de hallenkelder met kruisribgewelven en de stergewelven van het gebiedshuisje bijzondere aandacht.
De vorige grondige restauratie dateert van 1891–1896, onder leiding van architect Auguste Van Assche, en volgde op een eerdere ingreep aan de belforttoren in 1880, na de torenbrand van 1879. Tijdens de Van Assche-campagne werd onder meer de noordwestelijke traptoren toegevoegd — een typisch laat-19de-eeuwse "voltooiing" van een onvolledig laatmiddeleeuws geheel. Voor het lezen van de huidige gevels is dat geen detail: een deel van wat vandaag als middeleeuws oogt, is in feite 19de-eeuws restauratiewerk, met alle vragen over authenticiteit en omkeerbaarheid van dien.
Indruwwekkend icoon op de Aalsterse Grote Markt
Schepenhuis
Het gebiedshuisje
Maximaal materiaalbehoud
Artes Woudenberg behoort tot een select kransje van vijf à zeven Belgische totaalrestaurateurs die werken op de schaal van kathedralen, kastelen en beschermd burgerlijk erfgoed. Het bedrijf beschikt over een eigen schrijnwerkerij en steenhouwerij die de werven bevoorraden, wat in het Aalsterse dossier een logistieke en kwalitatieve troef is. Concreet betekent dit dat een beschadigd natuursteenblok niet integraal vervangen wordt, maar plaatselijk hersteld — een evolutie ten opzichte van vroegere campagnes, waarin volledige bloksvervangingen courant waren. Tegelijk laat de huidige doctrine ingrepen toe die enkele decennia geleden ondenkbaar waren in een beschermd monument: achterzetbeglazing, vloer- en zoldervloerisolatie, mechanische ventilatie en vloerverwarming, op voorwaarde dat ze passen binnen specifieke richtlijnen voor monumentenzorg.
Het exterieur
De buitenrestauratie werd opgesplitst in twee fases, omwille van de zichtbaarheid van het gebouw aan de Grote Markt en de drukke evenementenkalender van Aalst Carnaval en kerstmarkt. Het einde van de buitenwerken is voorzien tegen de zomer van 2026. Op het programma van de exterieurfase: de restauratie van dak en gevels, in aansluiting op een vorige campagnefase waarin buitenschrijnwerk, glas-in-loodramen en schilderwerken al deels werden aangepakt. Daarnaast werden de glas-in-loodramen en dakkapellen gerestaureerd. Bijzondere aandacht ging naar de natuurstenen gevelelementen: Lediaanse steen, zandstenen kruiskozijnen, geprofileerde omlijstingen en de gotische nissen aan de belforttoren met de beelden van de Graaf van Vlaanderen en de Heer van Aalst. De uitdaging voor de restauratiearchitect was dubbel: enerzijds het herstel van laatmiddeleeuws metsel- en steensnijwerk, anderzijds het kritisch beoordelen van het 19de-eeuwse Van Assche-werk — onder meer de toegevoegde noordwestelijke traptoren — als volwaardig erfgoed dat op zijn beurt om conservering vraagt.
Het interieur
De interieurfase start na de zomer van 2026 en vormt het meest ingrijpende deel van de werf. Het gebouw moet evolueren van een nauwelijks toegankelijk monument — vandaag enkel bij uitzondering open — naar een permanent bezoekbare site, terwijl het ook opnieuw ceremoniële functies moet kunnen dragen. De technische ingrepen zijn substantieel. Er komt vloerverwarming in de hallenkelder en aansluitende ruimtes, achterzetramen achter de historische beglazing om U-waarden en luchtdichtheid te verbeteren zonder de buitenzijde aan te tasten, isolatie van de zoldervloer als typische "warmemuts"-strategie, en een mechanisch verluchtingssysteem dat het binnenklimaat stabiliseert — cruciaal voor het behoud van houten lambriseringen, polychromieën en glas-in-lood. Branddetectie en brandcompartimentering op alle verdiepingen zijn een absolute prioriteit, zeker gezien de geschiedenis van branden in 1360 en 1879. Het vochtprobleem in de hallenkelder wordt aangepakt en de crypte wordt waterdicht gemaakt.
Vloeropbouw
Een van de meest leerrijke aspecten is de vloeropbouw in de hallenkelder. De huidige vloer is een 20ste-eeuws pakket van circa 27,5 cm: Boomse tegels in legbed van 2,5 cm boven een betonplaat van 20 cm en een laag zuiverheidsbeton van 5 cm. Die bestaande Boomse tegels worden eerst fotografisch in kaart gebracht, vervolgens gerecupereerd en in hun oorspronkelijke legpatroon herplaatst. De nieuwe vloeropbouw bedraagt minstens 50,5 cm: bovenaan opnieuw de gerecupereerde Boomse tegels in legbed van circa 2,5 cm, daaronder een cementdekvloer met vloerverwarming van circa 8 cm, een XPS-isolatielaag van 5 cm, een waterdichte betonplaat van 30 cm en een laag zuiverheidsbeton van 5 cm. De uitbraak gebeurt in aanwezigheid van de uitvoerende archeoloog en stopt op het niveau van de steenslagfundering onder de betonplaat, ongeveer 35 cm onder het actuele vloerniveau. Daaronder wordt stratigrafisch en vlakdekkend verdiept. Met een veiligheidsbuffer komt de uiteindelijke verstoringsdiepte op 80,5 cm onder het maaiveld. In het oostelijk deel van de kelder wordt een technische goot voorzien, niet dieper dan de bestaande vloerfundering; in het westelijke deel komen twee technische zuilen in inox in opbouw, samen met opbouwzitmeubilair. De opzet is exemplarisch voor de manier waarop hedendaags restauratieontwerp drie eisen verzoent: bouwfysisch comfort, archeologische zorgvuldigheid en visuele continuïteit.
Het Aalsterse belfort is om verschillende redenen een referentiewerf
Toegankelijkheid en werforganisatie
De ambitie om het belfort permanent open te stellen vergt een fundamentele herziening van het verticale circulatieschema. Tot nu toe stopte de bezoekerstrap op de tweede verdieping. In het nieuwe ontwerp komt een lift over drie verdiepingen, doorgetrokken tot op de zolderverdieping, samen met een verlengde trap, een nieuw onthaal op het gelijkvloers, interactieve publieksruimtes en een grondige vernieuwing van de raadzaal.
Financiering en kalender
Het totale projectbudget bedraagt 4.360.832 euro. De Vlaamse minister van Onroerend Erfgoed kent een premie toe van 150.000 euro; de stad Aalst neemt het grootste deel van de kosten voor haar rekening. Het verschil tussen de eerder gerapporteerde raming van ongeveer negen ton en het uitvoeringsbudget weerspiegelt het verschil tussen een deelraming voor specifieke restauratieposten — gevel, dak, glas-in-lood, schilderwerken — en het totaalbudget inclusief technieken, toegankelijkheidsingrepen, scenografie en interieurherinrichting. De exterieurrestauratie loopt tot de zomer van 2026, de interieurfase van zomer 2026 tot voorjaar 2027. De heropening voor het publiek is voorzien in het voorjaar van 2027.
Wat dit dossier leert
Het Aalsterse belfort is om verschillende redenen een referentiewerf. De gestapelde authenticiteit dwingt om een gemotiveerd onderscheid te maken tussen wat 13de-, 15de-, 16de-, 19de- en 20ste-eeuws is, en om elke laag op zijn eigen merites te behandelen. Vloerverwarming, achterzetbeglazing, zoldervloerisolatie en mechanische ventilatie tonen dat klimaatambitie en monumentenzorg verzoenbaar zijn binnen een UNESCO-monument, mits gedetailleerde bouwfysische studies en zorgvuldig detailontwerp. De vloeropbouw in de kelder maakt duidelijk dat archeologie geen sluitstuk is maar een integraal onderdeel van het ontwerp. En een lift tot in de zolder van een laatmiddeleeuws schepenhuis was een halve eeuw geleden ondenkbaar; vandaag is het de voorwaarde voor de maatschappelijke meerwaarde die het gebouw moet blijven leveren.
Wanneer in het voorjaar van 2027 de deuren weer opengaan, krijgt Aalst niet alleen zijn iconische "Tettentoeren" terug, maar ook een blauwdruk voor hoe Vlaanderen zijn belforten de komende decennia kan blijven doorgeven.