Wordt hittestress de nieuwe bouwnorm?
Rekening houdend met de toenemende temperaturen en de mogelijks frequentere hittegolven in de zomer, heeft de KULeuven en Archipelago Architects in opdracht van de Belgische vereniging voor rolluiken en zonwering VEROZO een studie uitgevoerd wat de risico's en oplossingen zijn voor de woningbouw in België. Het bieden van zomercomfort wordt een randvoorwaarde voor toekomstbestendig bouwen. Dit start bij een fundamentele ontwerpkeuze en aangepaste regelgeving met wellicht ook invloed op de keuze van de coatingsystemen.
Doel en aanpak van de studie
Het rapport schetst hoe klimaatsverandering de hittebelasting van Belgische woningen de komende decennia sterk doet toenemen en welke passieve maatregelen nodig zijn om oververhitting te beperken. De studie is opgesteld in opdracht van VEROZO en onderzoekt hoe het Belgische woonbestand zal worden blootgesteld aan extreme zomerhitte bij een mondiale opwarming van 1,2°C (huidige toestand), 2°C en 3°C. Daarvoor worden meer dan honderd klimaatprojecties uit de EURO‑CORDEX-dataset (resolutie 12,5 km) gecombineerd met Statbel-gegevens over ongeveer 3,6 miljoen huizen en 1,7 miljoen appartementen, gefixeerd op de toestand van 2025. De analyse is geïnspireerd op een Franse IGNES-studie en vertaalt complexe klimaatsimulaties naar vijf hitte-indicatoren die relevant zijn voor gezondheid en zomercomfort in gebouwen.
Hitte-indicatoren en klimaatscenario’s
De auteurs werken met mondiale opwarmingsniveaus, gedefinieerd als 20‑jarige gemiddelden ten opzichte van 1850‑1900, en focussen op 1,2°C (2014‑2023), 2°C (vanaf ca. 2039 mogelijk) en 3°C (vanaf ca. 2063). Voor elk niveau worden drie scenario’s onderscheiden (10e, 50e en 90e percentiel) om best case, mediaan en worst case te beschrijven. Vijf temperatuur-gebaseerde indicatoren staan centraal: dagen met Tmax >25°C, dagen met Tmax >30°C, hittegolfdagen volgens KMI-definitie, warme nachten met Tmin >18°C en dagen met een voortschrijdend daggemiddelde Tvdg >18°C.
Vandaag halen enkele gemeenten 10 hittegolfdagen per jaar, bij 2°C is dat al 14% van de gemeenten en bij 3°C 92%
Resultaten: snelle toename van blootstelling
De kaarten tonen dat binnenland en vooral Noord-Limburg nu al het hardst getroffen worden door hete en extreem hete dagen, terwijl kust en Ardennen voorlopig minder zwaar belast zijn. Bij 1,2°C opwarming overschrijdt slechts één gemeente de drempel van 40 dagen per jaar met Tmax >25°C, maar bij 2°C geldt dat al voor 22% van de huizen, en bij 3°C voor 94% van de huizen en 88% van de appartementen, met uitzondering van enkele kust- en Oostkantonsgemeenten. Voor extreem hete dagen (Tmax >30°C, drempel 10 dagen) gaat de blootstelling in het mediane scenario van 2% van de huizen naar 17% bij 2°C en 94% bij 3°C; vergelijkbare verhoudingen gelden voor appartementen en gemeenten.
Hittegolven volgen hetzelfde patroon: vandaag halen slechts enkele gemeenten 10 hittegolfdagen per jaar, bij 2°C is dat al 14% van de gemeenten en bij 3°C 92%. Warme nachten met Tmin >18°C blijven in het huidige klimaat nog beperkt tot beperkte zones, maar bij 3°C opwarming worden 92% van de huizen en appartementen minstens 10 nachten per jaar met zulke temperaturen blootgesteld. De voortschrijdend gemiddelde dagtemperatuur (Tvdg >18°C, drempel 60 dagen) illustreert de verschuiving van stook- naar koelseizoen: nu haalt geen enkel gebouw die grens, bij 2°C is ongeveer de helft van alle woningen en appartementen getroffen, bij 3°C 94% van de huizen en 98% van de appartementen (meer dan twee maanden per jaar boven 18°C).
De stijgende hittebelasting verschuift het zwaartepunt van energievraag van uitsluitend verwarmen naar een steeds belangrijkere koelvraag, terwijl huidige EPB-methodes en weerdata die koelvraag en oververhittingsrisico’s onderschatten
Beperkingen en onzekerheden
De auteurs benadrukken dat de resolutie van 12,5 km te grof is om stedelijke hitte-eilanden expliciet te modelleren, waardoor hittestress in steden waarschijnlijk wordt onderschat. CORDEX.be II-simulaties op 2,8 km met stedelijke parametrisatie tonen al meer detail, onder meer een uitgesproken Maasvallei en sterkere opwarming in Brussel, Mechelen en Antwerpen, maar deze data worden pas in de loop van 2026 volledig beschikbaar. Er zijn bijkomende onzekerheden door de gebruikte biascorrectie op de historische periode 1976‑2005 en door de timing van wanneer modellen een bepaald opwarmingsniveau bereiken, al tonen gevoeligheidsanalyses dat de grote lijnen robuust blijven.
Impact op gebouwen
De stijgende hittebelasting verschuift het zwaartepunt van energievraag van uitsluitend verwarmen naar een steeds belangrijkere koelvraag, terwijl huidige EPB-methodes en weerdata die koelvraag en oververhittingsrisico’s onderschatten. Kwetsbaar zijn zowel zeer goed geïsoleerde, luchtdichte woningen zonder zonwering en nachtventilatie als lichtgewicht of slecht geïsoleerde woningen en bovenste appartementen met hoge beglazingsratio en beperkte ventilatiemogelijkheden, zeker in verstedelijkte gebieden met hitte-eiland effect. De literatuur en Annex 80-onderzoek identificeren drie passieve pijlers als meest impactvol: doordachte oriëntatie en beperking van beglazingspercentage, vooral in oost- en westgevels, systematische toepassing van vaste en dynamische buitenzonwering, en combinatie van beschikbare thermische massa met intensieve natuurlijke (nacht)ventilatie, aangevuld met eenvoudige comfortmaatregelen zoals plafondventilators.
Passieve bouwkundige ingrepen moeten nu bij nieuwbouw en renovatie geïntegreerd worden om toekomstige koellast te beperken en bijkomende opwarming door massaal gebruik van airco’s te vermijden
Maatregelenpakketten
De studie stelt maatregelenpakketten voor (A tot C) die oplopen van minimale buitenzonwering en beperkte nachtventilatie tot klimaatbestendige ontwerpen met geautomatiseerde buitenzonwering, zware constructies, dwarsventilatie/schouweffect en verhoogde luchtsnelheden, toegepast op typische Belgische rijwoningen, halfopen en vrijstaande woningen en appartementen voor en na 2000. In de conclusie wordt benadrukt dat hitteoverlast niet lineair maar disproportioneel toeneemt met elke extra graad opwarming, en dat passieve bouwkundige ingrepen nu bij nieuwbouw en renovatie geïntegreerd moeten worden om toekomstige koellast te beperken en bijkomende opwarming van de buitenlucht door massaal gebruik van airco’s te vermijden.
De volledige studie leest u HIER.
Bron: VOM / VEROZO